In de jaren 1920 besloot de Sovjetunie dat Moskou meer spijkers nodig had. Dus gaven ze fabrieken de opdracht om tonnen spijkers te produceren—letterlijk. Slimme fabrieksmanagers maakten enorme, zware spijkers om hun gewichtdoelen met minimale inspanning te behalen. Toen de planners doorhadden wat er aan de hand was en overstapten op het tellen van spijkers op hoeveelheid, produceerden de fabrieken duizenden kleine, nutteloze spelden. Dit was geen incompetentie—het was onvermijdelijk. Zonder marktprijzen hadden socialistische planners geen manier om te weten wat mensen daadwerkelijk wilden of wat middelen echt kostten. Ludwig von Mises voorspelde deze exacte chaos in 1920, en toonde aan dat rationele economische berekening echte marktprijzen vereist die gevormd worden door vrijwillige uitwisseling. De centrale planners van vandaag staan voor dezelfde onmogelijke taak, alleen met fancier computers en grotere bureaucratieën.